VERMIST

Hij was opeens verdwenen. Spoorloos. Zijn auto werd teruggevonden in Zuid. Zonder zichtbare schade, keurig afgesloten, geen bloedsporen. Gewoon even elders geparkeerd, leek het.
Ik zie zijn vrouw een kleine twee dagen later, op zaterdagmorgen. Met haar vriendin, bij Zus & Zo. Achter hun vertrouwde witte wijntje. Dat doen ze al jarenlang iedere zaterdag. “Zonder de mannen”, hebben ze me vorig jaar toegefluisterd. “Die zien we de hele week al.”
“Heb je al iets gehoord?”
“Nee, niets. Taal noch teken. Hij lijkt wel opgelost.”
Wat een woordgebruik!
Ze neemt een haastig slokje.
“Wanneer heb je hem voor het laatst gezien?”
“Donderdagavond. Na jouw lezing. Hij zou even de auto gaan halen, want die stond wat ver bij Unique vandaan. Het regende, weet je wel. Hij wilde niet dat ik nat werd. De schat.”
Ze grijpt naar haar rood geverfde haar. Zorgvuldig bij elkaar gehouden door een soort open tulband. Goudgekleurd deze keer. Ze heeft ze in alle kleuren van de regenboog en gemaakt van allerlei soorten stof. Ze moeten de tijden van de charleston doen herleven. Haar hele garderobe lijkt uit de jaren twintig afkomstig. Het is haar handelsmerk geworden. Iedereen kent haar zo. Er wordt niet meer om gelachen zoals in het begin.
Haar zwartomrande ogen kijken me ondeugend aan. Er spreekt geen verdriet uit, althans niet op dat moment.
“Daarna heb je niets meer van hem gezien of gehoord?”
“Niets. Geen belletje, geen smsje, helemaal niets.”
“Heb je meteen aangifte gedaan?”
“Wat dacht je? Natuurlijk. Ben als een gek naar het bureau gehold. Ik was drijfnat toen ik daar aan kwam. Mijn make up droop van mijn gezicht af. Op mijn nieuwe jurk. Ik zag er niet uit.”
Haar hand grijpt weer naar haar hoofd.
“En toen?”
“Die agent heeft alles keurig genoteerd. Hij vroeg ook of we ruzie hadden gehad en of mijn man misschien suicidaal was. Ze kennen geen schaamte meer tegenwoordig. Dat vraag je toch niet…….”
“Hij deed gewoon zijn werk. Dat moet hij vragen. Een duidelijk motief brengt je het dichtst bij de oplossing.”

“Dat vind jij dus ook. Ik vond het vreemd. Ik heb hem gezegd dat hem dat niets aanging.”
Haar vriendin geeft haar een klopje op de blote schouder.
“Van mij zou hij ook niets te horen hebben gekregen.”
Wat een vreemd stel. Ze zijn aan elkaar gewaagd. Dat is me al eerder opgevallen. Vier handen op een buik.
“En nu?”
“Ze zouden onmiddellijk een zoektocht beginnen. Ze wilden minimaal tien man inzetten. Een grote actie. Dat heeft hij tenminste beloofd. Maar je weet het nooit……de Surinaamse politie……..”
Ze knipoogt naar vriendin.
“Je lijkt er niet erg onder te lijden, onder de hele toestand.”
“Weet je Rob……….”
Het is de eerste keer dat ze me bij de voornaam noemt.
“Ik kan hier wel gaan zitten grienen, maar daarmee krijg ik Gerard niet terug. Ik kan alleen maar afwachten en rustig proberen te blijven.”
“Heb je geen idee wat er gebeurd kan zijn?”
“Geen flauw idee.”
“Kan het iets met die lezing te maken hebben? Hij had zich niet erg populair gemaakt met zijn opmerkingen. De zaal was boos. Ik ook trouwens.”
“Weet je, dat is typisch Gerard. Hij is altijd heel kritisch. Hij denkt dat hij alles beter weet en beter kan. Daar lijd ik ook onder. Geloof me. Dat is voor mij ook niet altijd gemakkelijk, dat mag je best weten. Maar…..zo is hij. Zo is hij altijd geweest. Alleen, naarmate hij ouder wordt lijkt het erger te worden.”
Haar constaterende toontje begint me te irriteren.
“Maar hij ging erg ver. Hij schoffeerde de Surinamers in het publiek. Hij liet blijken dat hij geen idee had hoe ze in elkaar zitten, welke culturele gewoontes ze hebben. Je kunt een Surinamer niet dwingen in het openbaar zijn mening te geven. Daar houdt hij niet van. Maar van hem moesten ze. Hij dwong het ze haast af. Hij verweet ze slap gedrag. Hoog, vanaf de achterste rij. Hij keek op ze neer. Niet alleen letterlijk.”
“Dat is Gerard. Recht voor zijn raap. Hij zegt wat hij wil zeggen. Het interesseert hem niet wat anderen daar van vinden.”
“Iemand uit de zaal beschuldigde hem van koloniaal gedrag. Dat is nogal wat.”

“Dat heb ik helemaal niet gehoord. Dat zul je wel verkeerd verstaan hebben. Ze hebben
een wat vreemde manier van praten hier. Soms brabbelen ze maar wat. Het is niet het
Nederlands dat jij en ik spreken.”
Ze zegt het zonder blikken of blozen.
“Heb je de politie over dat incident verteld?”
“Nee, geen moment aan gedacht. Ik vond het helemaal niet zo bijzonder. Ik ben eraan gewend. “
“Misschien is het handig ze dat alsnog te vertellen……”
Ik praat tegen dovemansoren, ik weet het. Waarom stop ik er niet mee? Waarom maak ik me druk over iets dat haar kennelijk nauwelijks interesseert? Waar bemoei ik me mee? Het is haar man, niet de mijne.
“Weet je, de politie moet doen wat ze moeten doen. Ik ga ze niet voor de voeten lopen. Drink je een glaasje mee.?”
Dat laatste zegt ze op het verleidelijke toontje dat ik zo goed van haar ken. Je weet nooit of ze dan vriendelijk is of dat je versierd wordt.”
“Nee….nee, dank je. Ik moet verder. Ik hoop dat hij snel gevonden wordt.”
“Dead or alive.”
Haar gezicht verandert in een grimas. Het teveel aan make up maakt haar opeens tien jaar ouder.
Boos loop ik naar de uitgang. Tegen zoveel botheid en domheid heb ik geen verweer.

’s Avonds lees ik een klein berichtje in De Ware Tijd. Onder het kopje ‘Vermist’ wordt in tien zinnen melding gemaakt van de verdwijning. Er staat niets in wat ik niet al weet. De politie belooft een “intensief onderzoek”. Ze neemt “de zaak serieus op”. De bekende standaardopmerkingen van een politiewoordvoerder. Kennelijk houdt het niemand echt bezig. Een routineklus.
Dat was vorig jaar wel anders, toen die Nederlandse toerist voor de poort van zijn guesthouse werd neergeschoten. Hij had geweigerd zijn foto-apparatuur af te geven aan een jonge druggebruiker. Ze waren met elkaar in gevecht geraakt. De jongen trok op een gegeven moment zijn revolver en schoot de toerist dood. Vijf kogels. Dat nieuws haalde alle voorpagina’s. In Suriname maar ook in het buitenland.

Waarom is dit nieuws dan geen nieuws?
Weten zij iets wat ik niet weet?
Ik besluit het van me af te zetten. Het is genoeg geweest vandaag. Het was een lange, hete
dag. Het is beter als ik vroeg naar bed ga. Morgen komt John. Ik heb hem eindelijk zover gekregen. Hij wilde de eerste dag al, maar durfde niet. Hij wilde niet te gretig overkomen,
vertelde hij me later. “Surinaamse mannen hebben een dubieuze reputatie.” Het ontging me wat hij precies bedoelde.
Wekenlang hebben we om elkaar heen gedraaid. Elkaar pestend. Met elkaar flirtend. Een groot spel. Maar wel een spel met serieuze spelregels. Ik merkte dat hij nauwkeurig alles volgde wat ik deed. Hij las de artikelen die ik schreef. Hij wist van de projecten waar ik aan werkte. Hij hield heimelijk mijn afspraken bij. Donderdagavond, bij de lezing, zat hij in de zaal. Met een vriendin. Hij liet zich niet horen, maar er ontging hem niets. Zag ik.
Gister werd het me te gek. Ik heb hem gezegd dat ik hem morgen verwachtte.
“Ik zal er zijn. Reken maar.”
Alsof hij op het moment gewacht had. Zijn gezicht straalde van oor tot oor. Hij kuste me op mijn mond waar alle gasten bij waren.
“John….Wat doe je???”
Zo openlijk hoeft voor mij nou ook weer niet.
“Het kan me niet meer schelen. Ik wil je gewoon. Dat mag toch?”
“Natuurlijk mag dat. Maar……..”
“Dacht je dat de vaste klanten niet allang wisten dat er iets tussen ons was? Ik ken mijn maatjes.”
“OK…….tot morgen dan.”
“Tot morgen schat.”
Ik was Zus & Zo uitgelopen als een opgewonden tiener. Verliefd tot over mijn oren. Cliche’s zijn niet alleen van alle tijden, ook van alle leeftijden.
Ik laat het muskietengaas voor wat het is. Dat helpt toch niet. Teveel gedoe en ik krijg het er alleen maar benauwd onder. Ik trek het laken over me heen. Het voelt koel aan.
Ik val onmiddellijk in slaap. De eerste keer sinds ik in Paramaribo ben.
2.
Als ik na drie maanden weer op Zanderij land bekruipt me het beklemmende gevoel dat het niet goed is dat ik terug ben gekomen. De rij voor de douane lijkt langer dan ooit. Uit de

vragen die de douanier me stelt blijkt meer wantrouwen dan ik gewend ben. Mijn koffer komt bijna als laatste op de bagageband. Ik kan zien dat het open is gemaakt.
Ik stap als laatste passagier in het vertrouwde witte busje. Het heeft keurig op me gewacht. Niets wijst erop dat de chauffeur het me kwalijk neemt. Hij is vriendelijk als altijd. Zijn linkerarm heeft er een tattoo bij. Een wulpse vrouw.
“U kunt er geen genoeg van krijgen, geloof ik.”
Even voel ik me betrapt. Dan begrijp ik wat hij bedoelt. Ik glimlach naar hem. Het vervelende gevoel begint weg te zakken.
Als ik even later, buiten het vliegveld, het land weer ruik, is het helemaal verdwenen. Suriname is gewoon weer Suriname. Een ontroerende, vriendelijke chaos die zich land noemt.
3.
Het miezert als ik de andere morgen richting Zus & Zo loop. Alles wat ik maandenlang heb proberen te vergeten komt weer boven. Stel dat John er is, wat doe ik dan? Kwaad worden? Negeren? Gewoon vriendelijk groeten? Hij zal er wel een reden voor gehad hebben. Er moet iets tussen gekomen zijn.
Ze zit er weer. Deze keer heeft ze een jongeman naast zich. Met een grote zonnebril op. Hij verbergt zich enigszins achter haar lichaam.
“Hoi Rob. Je bent er weer!”
Ze zegt het veel te hard. Iedereen kijkt op.
“En jij bent er nog steeds.”
Het klinkt venijniger dan ik het bedoel.
Ze gaat er niet op in.
“Mag ik je voorstellen……..dit is mijn nieuwe vriend.”
Ze wijst op de zwarte jongen naast haar.
“Je nieuwe wat?”
Nu vliegt mijn stem uit de bocht.
“Wacht even Rob…….ik zie daar een vriendin van me zitten……Jij vermaakt je wel even.”
Ze wijst opnieuw naar de jongen, schiet voor me langs en huppelt naar het uiteinde van het terras. Een hinde op leeftijd.
Ik ga aan tafel zitten. Dan zie ik het pas.
“Jij bent toch…….jij bent toch het jongste broertje van John?”

Hij zet zijn Chinese Ray Ban af.
“Hoe weet je dat?”
Dan draait hij wat ongemakkelijk op zijn stoel. Hij moet zich overvallen voelen.
“Je lijkt als twee druppels water op hem. Een jonge kopie.”
Hij lacht verlegen.
“Ja, ik ben Dwight, zijn kleine broertje. Zo noemt hij me altijd. Zijn kleine broertje. We schelen vijftien jaar.”
“Hoe is het met John?”
Ik moet het vragen. Ik moet het weten.
Weer schuift hij wat ongemakkelijk heen en weer. Hij is verlegen, maar vooral jong.
“John is in Brazilie. Verhuisd.”
“John is verhuisd? Waarom in godsnaam.”
Hij aarzelt.
“Vertel.”
“Die avond voordat hij naar jou zou komen, is hij door de politie opgepakt.”
“Opgepakt? Waarom? Hij had toch niks misdaan?”
Ik hoor de charleston verderop gillen van de lach. Ze lijkt wel dronken.
“Ze hebben niet gezegd waarom. Ze hebben hem gewoon opgepakt. Later hoorden we dat hij beschuldigd werd van het laten verdwijnen van Gerard Kamp. Het sloeg nergens op, maar de politie wilde daadkracht tonen. Hij was bij die lezing van jou geweest. Dat was genoeg. De politie wilde gewoon voor de buitenwereld ijverig en serieus overkomen. Dat gebeurt hier wel vaker. Dat is typisch Surinaams. Ze doen vaak niks en om dat te verbergen, pakken ze willekeurig mensen op.”
“Maar waarom John?”
Hij zucht zwaar.
“John is een homo zoals je weet……..”
Hij pauzeert even en kijkt me voor het eerst recht aan.
“De politie houdt niet van homo’s. En zeker niet van homo’s die ervoor uit komen. Die worden gehaat. Die vragen om moeilijkheden.”
Ik weet niet wat ik hoor. Warom weet ik dat soort dingen nooit? Waarom ontgaan dat soort dingen me altijd?

“Pas na vijf weken hebben ze hem vrijgelaten. Gebrek aan bewijs, werd er doodleuk gezegd. Alsof we dat niet allemaal al wisten. John was kapot. Hij wilde nog maar een ding. Weg uit Suriname. De volgende dag is hij vertrokken. Hij heeft een vriendin in een stad in het zuiden van Brazilie. Ik ben de naam vergeten. Van de stad bedoel ik.”
“Heb je een mailadres?”
“Nee, hij zou me mailen, maar dat heeft hij nog niet gedaan. Hij was echt kapot. Ik heb hem nog nooit zo gezien. Sorry.”
“Je hoeft je tegenover mij niet te verontschuldigen. Ik wist dat er iets gebeurd was. John was er de man niet naar om zijn afspraken niet na te komen. En zeker niet die afspraak. Daar was hij te lief voor.”
Ik hoor hoe raar het klinkt.
“Maar wat doe jij met dat gekke mens?”
Dwight draait zich van me af. Hij zoekt naar woorden.
“Ik weet het niet………….Ik wist het niet…….”
Hij krijgt tranen in zijn ogen.
“Maar je wist toch…….”
“Ja natuurlijk wist ik dat. Iedereen kent dat gekke wijf. Zeker na de verdwijning van haar man weet heel Suriname wie het is. En anders schreeuwt ze het wel uit. De teef.”
Het woord spuit uit zijn mond.
“En toch….”
“Ja Rob, je mag me veroordelen. Je hebt het grootste gelijk van de wereld. Ze heeft me gewoon versierd……..ik had geld nodig………en John was opeens weg…………..ik weet het niet….alles bij elkaar…….ik schaam me.”
“Kon je de baan van John hier niet overnemen.”
“Nee, ik heb het ze gevraagd, maar ik ben te jong. Ik ben te verlegen. Ik vind het moeilijk om met mensen om te gaan. Het maakt me zenuwachtig en dan maak ik fouten. Dat kan hier niet.”
Hij wil zijn zonnebril weer opzetten.
“Ga je met haar naar bed?”
Waarom vraag ik dat? Waarom bespaar ik hem dat niet?
“Ja…nee….niet echt……..ze wil vooral dat ik haar gezelschap hou………ik weet het

niet…..soms wil ze…..”
“Ik hoef het niet weten Dwight, ik wil het niet weten. Ik had het je niet moeten vragen. Het gaat me niet aan. Sorry.”
Ik walg bij de gedachte.
“En Kamp?”
“Die hebben ze nooit gevonden. Er doen allerlei geruchten de ronde. Dat hij de benen heeft genomen om van haar af te zijn.”
Zijn blik wijst naar het achterterras.
“Hij kan ook vermoord zijn. Het lijkt niemand echt te interesseren. Ze mochten die man hier niet. Weer zo’n arrogante Nederlander met zo’n grote bek. Daar hebben ze hier de buik vol van. De tijd is veranderd. Bouterse is nier voor niets gekozen. Wij zijn een vriendelijk volk, maar we trekken tegenwoordig onze grenzen. Kamp ging daar overheen.“
Ik voel me aangesproken. Dwight lijkt het te merken.
“Ik heb niks tegen jou. Kamp was het ouderwetse type. Hij liep overal blaffend en commanderend rond. Alsof Suriname nog steeds van hem was. Dat moet je hier niet doen. Dat kun je hier niet doen.”
“En toch blijf je bij dat mens? Voor iedereen zichtbaar.”
“Ja, het is stom van me, maar ik ben gewoon……ik ben de weg kwijt. John was er altijd voor me. Hij zorgde voor me. Hij corrigeerde me. Hij regelde baantjes voor me. Ik weet het niet……….ik weet niet meer wat ik doen moet.”
“Wil je ook naar Brazilie?”
“Ik probeer geld opzij te liggen. Om naar Brazilie te gaan of om op Cuba te studeren. Ik moet verder. Ik wil verder. “
“Wat wil je studeren?”
“Ik heb altijd architect willen worden. Dat was mijn droom.”
Voor het eerste schemert er wat trots door.
“Daar is het toch niet te laat voor.”
“Nee, daar heb je gelijk in, dat kan nog altijd.”
Hij staart naar het achterterras. Hij ziet er opeens moe uit.
“Nee……………..dat kan nog altijd………”
“Bel me, dan kunnen we een keer rustig praten. Waar zij niet bij is.”

Ik geef hem mijn nummer.
“Graag. Ik bel je vanavond nog. “
Hij stopt het kaartje in zijn kontzak.
“Zo…..de heren wisselen al telefoonnummers uit. Op voor een date?”
Ik heb haar niet zien komen. Ik besluit niet te reageren.
Ik geef Dwight een hand en maak me uit de voeten.
“Voor mij kan er niks af……..?”
Een voorspelbarre reactie. Ik pak de krant van de bar en ga in een hoekje zitten. Buiten haar gezichtsveld.
4.
De volgende weken heb ik het druk. Te druk om na te denken of me in valse hoop te verliezen. Dwight belt niet. Waarom zou hij? Ik kan hem niets nieuws vertellen. Ik vermijd Zus & Zo. Het is te moeilijk om daar te zijn. De herinneringen grijpem me er naar de keel. Ik heb mijn ‘kantoor’ verplaatst naar Lekker.
De artikelen voor het boek van Stanley komen langzaam binnen. Te langzaam en na veel heen en weer gebel en gemail. Het zijn altijd dezelfden die deadlines overschrijden. Ze grossieren in excuses, door de jaren heen verzameld. Het redigeren van de teksten valt ook tegen. Teveel dubbelingen, teveel zijpaden, teveel lange tenen. Schrijvers zijn vaak ego’s, hun woorden vinden ze heilig. Het fotomateriaal blijkt de moeilijkste klus. Alle onderschriften, titels en jaren ontbreken. Het is een grote warboel.
Met veel kunst- en vliegwerk redden we het toch om het materiaal op tijd aan te leveren. De ontwerper toont zich soepel, een uitzondering, de drukker is niet te beroerd een paar keer ’s nachts door te werken.
Het resultaat mag er zijn. Het is een prachtig boek geworden. De ergernis over de moeizame productietijd is snel verdwenen.
We besluiten tot een officiele booklounge, met hotemetoten en pers. Het moet een gebeurtenis worden. Unique wordt afgehuurd. Een paar jonge kunstenaars moeten zorgen voor een opvallende aankleding. Als bij het Boekenbal. Ze veranderen de zaal in een spookachtige jungle. Weten zij veel. We hebben ze immers de vrijheid gegeven.
Aan mij de taak om de genodigden te introduceren en aan elkaar te praten. Te laat besef ik, dat het misschien toch niet zo handig is geweest om die klus op me te nemen. Weer die zaal. Zo lang is het nog niet geleden.

Op het moment dat ik achter de microfoon ga staan, lijken mijn benen een eigen weg te kiezen. Ik moet het kateder vastgrijpen.
Dan kijk ik het overvolle theater in. Automatisch gaat mijn blik naar links, naar de bovenste rij. Tot mijn verbazing kijk ik in de lachende gezichten van John en Dwight.
Op dat moment verdwijnen de zenuwen uit mijn lijf. De jungle wordt een sprookjesbos. Het publiek verandert in een stelletje vrolijke feestgangers. De witte spotlichten lijken rood te kleuren.
De avond kan niet meer stuk.
5.
Een paar weken later lezen we in een Braziliaanse krant dat Kamp is gevonden. Op Nieuw-Amsterdam. Zijn lichaam is vreselijk toegetakeld.
Wat betreft de dader tast de politie nog steeds in het duister.

Rob Perree
Paramaribo 2011.